INLEIDING

Mijn naam is Bjent (Berndt) van der Enden, ik ben de zoon van Joukje Middendorp en Kees van der Enden. Dit verhaal gaat over mijn pake en beppe en hun tijdens de oorlog verdwenen zoon Lute, broer van mijn moeder.

 

Pake en beppe

Als kind kwam ik één tot tweemaal per jaar bij mijn pake en beppe. Niet zo vaak, want ik woonde met mijn ouders in Delft en pake en beppe in Oosterwolde, Friesland. Dat was in die tijd - ik ben van 1965 - een forse dagreis met de trein en bus. We bleven dan wel altijd logeren, met leuke herinneringen: pake die thee op bed brengt met kaakjes die je mag ‘soppen’, op visite bij buurvrouw Van der Zee, fietsen naar Appelscha en spelen in het bosje naast Rikkingahof. Bij pake en beppe was het gewoon een beetje spannend: ze spraken er Fries, overal stonden koeien en ze aten sûkerbôle (suikerbrood) en bôle-bak (roggenbrood en beschuit met een plak kaas ertussen). Kortom voor mij, als kind, woonden mijn pake en beppe in het buitenland.

 

De foto en een oude doos

Bij pake en beppe thuis hing centraal in de woonkamer een zwartwit foto van een jonge man die wat dromerig de wereld in keek. Vlak eronder hing een van metaaldraad gevlochten rekje met één of ander bloeiend plantje erin. Die foto was van Lute, de zoon van pake en beppe die in de oorlog niet uit Duitsland was teruggekeerd. Dat beeld van de foto van Lute is heel sterk in mijn herinnering, altijd aanwezig bij pake en beppe. Niet dat er een sombere sfeer hing in huis, ik heb tenslotte leuke herinneringen aan het logeren bij pake en beppe. Ook was het niet zo dat het onderwerp onbespreekbaar was, ik herinner me dat ik ernaar gevraagd heb en antwoorden kreeg. Maar altijd aanwezig verdriet, dat is naar mijn gevoel de juiste omschrijving.

 

In de jaren negentig kwamen mijn ouders bij me langs met een oude verfomfaaide kartonnen doos. Die doos kende ik, want dat was de doos met stukken over Lute die mijn moeder van pake en beppe had gekregen. Er zaten wat brieven en formulieren in en – waarover later meer - wat onduidelijke snuisterijen. Mijn moeder had toen beginnende Alzheimer en ze wilde van de doos af, het was voor haar emotioneel te belastend om de doos in huis te houden. Ik heb de doos ergens achter in een kast gestopt en eigenlijk niet meer naar omgekeken. Met een opgroeiend dochtertje had ik wel wat beters te doen. Enkele jaren later kwamen mijn ouders weer langs. Of ik de doos nog had? Uiteraard was dat zo. Ze hadden bedacht dat het beter was om de doos in bewaring te geven bij het Fries Verzetsmuseum in Leeuwarden. Een goed idee, dat vond ik ook.

 

De aanleiding

Mijn inmiddels opgegroeide dochter Anna en haar vriend Aaron waren begin 2018 samen in een hotelletje in het noorden van Nederland en ze had de inval om eens in Donkerbroek te gaan kijken. Ik heb haar natuurlijk wel eens het één en ander verteld over de inmiddels overleden pake en beppe, de kinderen van pake en beppe en de gebeurtenissen in de oorlog. Ze was gewoon nieuwsgierig. En dus ontving ik op vrijdagavond een WhatsApp: “Hoe heetten jouw pake en beppe pap?”.

Zo’n 74 Apps later realiseerde ik me hoe onnauwkeurig mijn informatie was. Een simpele internet zoekopdracht wees uit dat er informatie over Lute terug te vinden is, meestal vrij summier, versnipperd en in een enkel geval aantoonbaar onjuist. Dit verhaal - over een gezin met principes, moed en verdriet - moest beter vastgelegd en verteld worden. Maar al snel bekroop me het gevoel dat ik mijn kans gemist had… alle direct betrokken personen waren er niet meer, mijn pake en beppe, mijn moeder, haar broers en zus. Alles wat ik had waren mijn onnauwkeurige herinneringen, een doos in het Fries verzetsmuseum en een doos met foto’s en aandenken van mijn moeder.

 

Mijn aanpak

Ondanks de hiervoor genoemde belemmering heb ik besloten toch een poging te wagen. Het in samenhang vastleggen van deze gebeurtenissen is te belangrijk voor komende generaties. Het mag niet vergeten worden.

In dit verhaal probeer ik zo feitelijk mogelijk op bronnen gebaseerd de context en gebeurtenissen te reconstrueren. Daar waar relevant verwijs ik zoveel mogelijk naar geraadpleegde bronnen. Uiteraard bestaat er zoveel jaar na dato soms twijfel of iets zo is gebeurd; ik spreek dan van “ik vermoed” of “ik denk dat”. Soms val ik terug op mijn geheugen, aangeduid met “ik herinner mij”.

 

Ik noem in het verhaal de namen van slachtoffers, maar ook van daders, daarbij realiserend dat zelfs nu dit misschien nog gevoelig ligt in de gemeenschap van Donkerbroek en omgeving. Daarom wil ik graag vooraf de volgende belangrijke kanttekening plaatsen:

 

Eenieder is verantwoordelijk voor zijn/haar eigen daden. Misdaden van ouders en voorouders kunnen nooit de kinderen worden aangerekend (laat staan de kleinkinderen). Verantwoordelijk zijn de misdaadplegers, de helpers en - in beperkte mate - de wegkijkende omstanders. Dit geldt uiteraard in juridische zin, maar wat mij betreft ook voor civiele en morele verantwoordelijkheid. Overerfbare of collectieve schuld is naar mijn stellige overtuiging een volkomen onzinnig idee.

 

Evengoed geldt dat kinderen nooit aanspraak kunnen maken op de morele verdiensten van de voorouders. De morele verdiensten van het volledige verzet in Nederland is het erfgoed van alle Nederlanders van nu. Iets om zorgvuldig te bewaren en te herinneren, zodat we begrijpen dat een soortgelijke catastrofe nooit meer mag gebeuren.

 

Portret van Lute in de woonkamer van pake en beppe