Razzia in Donkerbroek

Op basis van alle verklaringen die in het CABR-dossier terug te vinden zijn probeer ik een reconstructie te maken van de gebeurtenissen van de nacht van 23 op 24 juni 1944. Een niet eenvoudige taak, omdat bedacht moet worden dat alle verklaringen met een reden zijn afgelegd: om te beschuldigen, vrij te pleiten of juist de schuld ergens anders te leggen. Sommige verklaringen zijn pas vier jaar na de gebeurtenis afgelegd. Wat is de betrouwbaarheid dan nog en zijn verhalen geen eigen werkelijkheid geworden? Dit blijkt ook wel uit het feit dat de verklaringen van de getuigen en slachtoffers soms op punten van elkaar verschillen of dat bepaalde gebeurtenissen lijken te zijn verzwegen. De beschrijving van de gebeurtenissen die ik hier schets kan gezien worden als de algemeen bevestigde lijn die wordt ondersteund in de diverse verklaringen van verschillende bronnen.

 

Verradersbrief

Hendrik Melker heeft in juni 1944 in een anonieme brief melding gekregen van joodse onderduikers in Donkerbroek. In zijn verklaring van 5 oktober 1948: ‘Ik ontving te Drachten veel anonieme brieven. Zo ontving ik omstreeks juni 1944 een anonieme brief meldende dat bij Gorter te Donkerbroek joden waren gehuisvest. De landwacht uit Wijnjeterp heeft toen bij Gorter huiszoeking gedaan, doch joden werden aldaar niet aangetroffen. Ik ontving nu een schrijven, dat ik bijna raak had overgeslagen: de joden waren de vorige dag juist naar elders overgebracht. Nu echter had Gorter weer een jood in huis. Verder had Jan Middendorp, volgens den brief, joden waaronder een joods meisje; Lijkel de Vries, kaasmaker, had een onderduiker en Andreas Russchen verleende een student huisvesting. De brief was ondertekend met “Iemand die joden haat.”’. [1]

 

Razzia

Hendrik Melker gaf vervolgens Albert Postma, hulplandwachter uit Rottevalle, opdracht om te onderzoeken waar de genoemde personen woonden en of er aanwijzingen waren voor onderduikers.

 

Kennelijk heeft Postma zijn verkenning goed uitgevoerd, want op 23 juni verzamelde Melker een grote groep landwachters bij elkaar, ondersteund door leden van de Nederlandse politie. Naast Hendrik Melker en Albert Postma worden in de dossierstukken de volgende namen van aan de razzia deelnemende leden van de landwacht genoemd: Fokke Velde, Jan Teijema, Douwe de Jong, Homme de Jong, Lute van der Meulen [1], Jan Dermois, Tijs Graafsma, Hendrik van Riezen, Klaas van Apeldoorn, Jan van der Heiden, Jacob Fander en Jan Binsma. Allemaal afkomstig uit de omliggende dorpen zoals Ureterp, Wijnjeterp, Oosterwolde en Haulerwijk. Van de politie was aanwezig wachtmeester C. de Vree uit Haulerwijk en wachtmeester van de marechaussee Lenos uit Donkerbroek. Mogelijk is deze lijst niet compleet, maar het betreft daarmee een groep van zeker 16 landwachters en leden van politie. Duidelijk wordt verder dat het geen gerichte overval op één adres was maar een razzia in het dorp waarbij verschillende huizen zijn doorzocht en verscheidene personen gearresteerd.

 

Melker verklaarde op 5 oktober 1948: ‘Te Donkerbroek gekomen, het kan in den nacht van 23/24 Juni 1944 zijn geweest, liet ik de te bezoeken woningen afzetten. De troep werd nu in tweeën gedeeld. Ik begaf mij eerst naar de woning van Lijkel de Vries.’

Lijkel de Vries woonde tegenover het gezin Middendorp aan de overzijde van de Opsterlandse Compagnonsvaart. Bij hem zou een illegaal werker Westerhof ondergedoken zijn, maar gelukkig was deze persoon veertien dagen voor de razzia al naar een ander adres verhuisd. Wel werd bij Lijkel de Vries het illegale blad ‘Schoon schip’ gevonden. Het waren er maar enkele, zodat Lijkel de Vries niet als illegale werker werd aangeduid. Hij werd wel onder bewaking van landwachters gesteld en later gearresteerd.

Vervolgens ging de ploeg naar het huis van de familie Middendorp aan de overzijde van het kanaal. De landwachters sloegen hard op de ramen en pake deed open. Kennelijk gaf pake Hendrik Melker flink weerwoord, want Melker verklaarde in oktober 1948: ‘Middendorp ging erg tegen mij tekeer. Als de mensen goed zijn, ben ik ook goed, zijn ze honds, dan kan ik ook honds wezen, zijn ze beroerd, dan ben ik ook beroerd.’

 

Melker en De Vree deden huiszoeking en troffen daarbij inderdaad Henny Waas aan. Ook Lute werd aangetroffen, en vermoedelijk was hij gezien zijn leeftijd verdacht. Melker heeft toen om het trouwboekje van pake en beppe gevraagd omdat daarin de kinderen staan bijgeschreven. Daaruit bleek dat Lute inderdaad de arbeitseinzats ontdook en er sprake was van een vervalst persoonsbewijs. Hoewel de diverse verklaringen verschillen schijnt er nog discussie te zijn geweest of Lute wel in staat was om meegenomen te worden, hij was immers gewond aan zijn been. Melker zou daarbij gezegd hebben “voor mij wil hij wel lopen; ik sleep hem aan de ketting mee als hij niet lopen kan”. Overigens ontkende Melker in zijn verklaringen deze uitspraak stelselmatig.

 

Arrestatie van Tjitske Boetje

En dan gaan de diverse verklaringen van elkaar verschillen. Pake legde op 5 mei 1945 een verklaring af waarin hij aangaf: ‘De hele toedracht scheen aan de ploeg landwachters bekend te zijn, want direct na de huiszoeking bij mij aan huis hebben ze Tjitske Boetje in Donkerbroek medegenomen. Zij was degene die het joodse meisje bij ons had gebracht. Het leek er zeer veel op, dat de hele toedracht verraden was. Een zeer sterk vermoeden heb ik tegen Albert Postma, thans gearresteerd en zittende in het kamp Oranje te Fochtelo, dat deze degene geweest is, die de zaak aangebracht heeft. De landwachters waren er zogezegd kind aan huis.’

 

Melker verklaarde in oktober 1948: ‘Middendorp en zoon werden nu, vanwege vaders houding door mij gearresteerd en onder bewaking van landwachters gesteld. Middendorp deelde mij nog, op de vraag, mede, dat Tjitske Boetje te Donkerbroek bedoeld joods meisje te hunnent had gebracht; ik vond het niet mooi van Middendorp, dat hij dit meisje verried.’

 

Tjitske Boetje verklaarde ook in oktober 1948 naar aanleiding van de overval bij haar thuis: ‘Ik hoorde nu echter, dat bedoeld meisje [Henny Waas] reeds door hen was gearresteerd en ik kon wel voelen dat mijn naam bij Middendorp was genoemd. Zulks bevreemde mij niet, toen ik het kind aldaar plaatste, had ik ook bij de Middendorps gezegd, dat als er iets ergs met het kind gebeurde, men mijn naam dan maar moest noemen.’

 

Dus pake beweerde in mei 1945 dat de onderduik was verraden en dat de landwachters alles al wisten, ook de rol van Tjitske Boetje, terwijl de landwachtcommandant Melker in oktober 1948 beweerde dat deze naam door pake is opgegeven tijdens de inval, iets wat Melker overigens consequent bleef benoemen in al zijn verklaringen. En vervolgens bevestigde de persoon in kwestie Tjitske Boetje dit gegeven en noemde dit een afspraak tussen haar en de familie Middendorp. Je kunt je afvragen, als dat het geval is geweest, met welk doel dan? Om de aandacht van Henny Waas en de familie Middendorp af te leiden? Dat zou wel erg naïef en nauwelijks voorstelbaar zijn. Of verklaarde Tjitske Boetje dit in 1948 om het geweten van pake te ontlasten van een eventueel ‘verraad’?  Dit zal ik vermoedelijk nooit meer te weten gaan komen. In ieder geval ga ik er van uit dat de naam van Tjitske Boetje - al of niet volgens afspraak – tijdens de overval bij de familie Middendorp door pake is genoemd.

 

Nadat de naam van Tjitske Boetje als contactpersoon van de joodse onderduikster is genoemd ging de overvalploeg naar haar huis. Zij woonde nog in bij haar ouders en was – naast medewerkster op het gemeentelijk distributiekantoor – ook theologisch studente. Tijdens de huiszoeking vond Melker illegale BBC-blaadjes en gestolen bonkaarten. Ook verhoorde hij Tjitske over haar rol bij de plaatsing van Henny Waas bij de familie Middendorp. Tjitske verklaarde in oktober 1948: ‘Melker begon vreselijk te vloeken: Hij sloeg met de vuist op de tafel en ik hoorde hem schreeuwen: “Nu zal je wel de waarheid zeggen!” Ik zei nu, dat ik mijn bemiddeling bij het plaatsen van bedoeld meisje had verleend. Over de BBC-blaadjes vertelde ik, dat ik deze des avonds op de mat bij de voordeur had gevonden. Blijkbaar had men ze door de brievenbus geworpen, ik had ze niet gelezen, wist niet wat voor dingen het waren, en had ze zonder enige bedoeling in de la gelegd. Melker zei, dat hij mij verdacht, dat ik bedoelde bonkaarten vanuit het distributiekantoor had ontvreemd met het oogmerk, ze ten eigen bate aan te wenden.’

 

Dan volgde er een overleg tussen Melker en de agenten De Vree en Lenos en gebeurde er iets merkwaardigs: Melker verbrandde de BBC-blaadjes en de bonkaarten in de kachel en merkte op dat hier nooit over gesproken mocht worden!

 

De bij de huiszoeking aanwezige politieagent De Vree verklaarde in februari 1946: ‘Wij hebben alles gedaan om Tjitske te redden, want ik wist wel dat zij illegaal werkte. Melker had schijnbaar nogal een goede bui, want hoe hij ertoe gekomen is, om die bonkaarten te verbranden snap ik nog niet. Van de latere gang van zaken weet ik niet veel van, daar wij alleen begeleiden en daarna inrukten.’

 

Tjitske Boetje werd niet meteen met de andere arrestanten afgevoerd naar Leeuwarden, maar ze is in het huis van haar ouders onder bewaking van landwachter Van der Heide gesteld. De volgende dag moest zij zich op eigen gelegenheid – weliswaar onder bewaking – melden op het kantoor van de SD in Leeuwarden, hetgeen ze ook deed. Daar is ze door de beruchte SD-ers Lammers en Schleijfer ondervraagd en zes weken in de gevangenis van Leeuwarden vastgehouden. Volgens eigen zeggen waren de ondervragingen stevig, maar werd ze niet fysiek mishandeld. Omdat de bonkaarten en illegale bladen vernietigd waren kon ze veel van de verdenkingen blijven ontkennen. En vermoedelijk heeft ze haar rol bij de plaatsing van Henny Waas kunnen marginaliseren. Tjitske verklaarde naar aanleiding van deze ondervragingen: ‘Nog had ik aldaar een moeilijk moment, toen mij werd medegedeeld dat Klaas Bos uit Makkinga was gearresteerd en eveneens in het huis van bewaring was beland. Bos was contactpunt van mij: hij ontving van mij de bonkaarten voor de onderduikers in zijn ressort en daarbij was Bos een nerveus persoon. Jan Middendorp [pake] uit Donkerbroek, die in het Huis van bewaring op de gang werkte, vond ik bereid Bos te zeggen, dat hij niets moest loslaten: Ik had ook niets gezegd en dus ook niets over de bonnenaffaire verteld. Bos liet nu bij zijn verhoor ook niets los.’ Uiteindelijk was Tjitske Boetje zoals ze zelf vertelde na zes weken ondervraging en gevangenschap flink overspannen.

 

Diverse verklaringen van betrokkenen bevestigen de gang van zaken bij Tjitske Boetje. Maar de gebeurtenissen roepen wel vraagtekens op: Waarom verbrandde Melker de bewijsstukken in de kachel? Waarom werd Tjitske Boetje zo relatief mild behandeld? Je zou kunnen zeggen dat zij – als contactpersoon binnen de illegaliteit – toch een soort van hoofdprijs van de razzia was? Melker verklaarde daar zelf ook nog iets over: ‘De slaapkamer van Juffrouw Boetje werd door mij onderzocht: ik vond een daar door haar aangehouden dagboek en doorlas dit. Juffrouw Boetje bleek mij een intellectueel en religieus aangelegd meisje te zijn: ik had respect voor haar en heb mij dan ook tegenover haar correct gedragen.’ Misschien had Melker medelijden en haar daarom – ook op voorspraak van de twee agenten – gespaard.

 

Resultaat van de razzia

Naast de voornoemde woonhuizen zijn ook doorzoekingen gedaan in de woning van Wiebe Gorter, de directeur van de CAV en in de pakhuizen van de CAV, zonder dat verder iets werd gevonden. Het resultaat van de razzia van 23 op 24 juni 1944 in Donkerbroek was de arrestatie van diverse mensen: het joodse meisje Henny Waas, Lute Middendorp, Jan Middendorp [pake], de overbuurman Lijkel de Vries, de Amsterdamse student economie William Kramer die ondergedoken zat bij Russchen en de verzetsvrouw Tjitske Boetje. Voor zover ik heb kunnen nagaan werd iedereen naar de gevangenis in Leeuwarden afgevoerd. Ook namen de landwachters drie fietsen mee van de familie Middendorp.

 

[1]  Luite van der Meulen werd op 16 december 1947 door het Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot 8 jaar wegens collaboratie. In het  Friesch dagblad van 17 december 1947 werd daarbij expliciet het schrijven van een verradersbrief genoemd. Of deze brief betrekking heeft op deze razzia is onduidelijk. Feit is dat Van der  Meulen  bij de razzia in Donkerbroek aanwezig was.